Net als in iedere winter sinds 1995/96 zijn ook de afgelopen winter weer vele vogeltellers van onze VWG in de weer geweest om de wintervogels te tellen. Zij doen dit in opdracht van SOVON en de Provincie Zuid-Holland. Iedere teller heeft één of meer telgebieden (meestal een polder) waarvan alle aanwezige vogels één keer per maand (in het weekend rond de 15e) worden geteld. Het gaat om 25 leden die samen 28 telgebieden tellen. Een deel van hen telt het kerngebied van onze VWG, en van hun inspanningen doen we in deze artikelenserie verslag. Zoals gebruikelijk richten we ons daarbij op de soorten waarvoor onze polders belangrijk zijn: de reigers, eenden, ganzen, zwanen, roofvogels en steltlopers. Doordat we nu een telreeks van 8 winters hebben krijgen we zo langzamerhand goed zicht op de trends, waarover hieronder (met name voor de wulp) meer. Een van de beloningen voor de tellers is natuurlijk de kans om iets bijzonders tegen te komen. Afgelopen winter was het weer raak: maar liefst 103 soorten werden gezien. Ruigpootbuizerd, patrijs, casarca, steppenkievit, houtsnip, steenuil, ransuil, ijsvogel, grote lijster, grote gele kwikstaart, roodborsttapuit, vuurgoudhaantje, matkop en halsbandparkiet, allemaal belandden zij op de telformulieren. Niet zo vreemd dus dat de tellingen weer erg volledig zijn geweest. Van de maximaal haalbare score van 114 ingevulde telformulieren kwamen er maar liefst 112 binnen! Slechts 2 telgebieden werden één maand niet geteld. Prima gedaan dus.

Het weer De vorst liet ook deze winter lang op zich wachten, maar toen hij kwam was het ook gelijk raak. Na Sinterklaas begon de koude en op 13 december kon er al geschaatst worden. De decembertelling was dan ook een winterse telling. Alle polders inclusief sloten waren bevroren. Op grotere wateren waren echter door de harde wind nog veel open stukken. Tijdens het telweekend viel bij ons de dooi al weer in, waarna de temperaturen opliepen tot 10 graden rondom kerst. Begin januari beleefden we een tweede vorstperiode: weer kon er worden geschaatst en ontvolkten de vogels de polders. Een week voor de midwintertelling viel echter de dooi in, zodat tijdens de telling alle ijs verdwenen was. Grote aantallen vogels bleken al weer in de ontdooide weilanden en sloten teruggekeerd. Nog meer kortdurende winter bij aanvang van februari. Een voor ons doen dik pak sneeuw kleurde een dagje de wereld wit. Tijdens de telling zelf was het nog winters en werden de meeste telgebieden als "geheel bevroren" dan wel als "ijs met open water" aangetroffen. De maarttelling, halverwege een wel zeer droge maand, was een genot vanwege het zonnige voorjaarsweer.

Meer wulpen?Het leuke van het beschikbare telmateriaal is dat vragen goed onderbouwd beantwoord kunnen worden. Zo vroeg iemand of zijn indruk juist was dat de wulp toeneemt in onze contreien. Op basis van het telmateriaal voor de Rijnstreek als geheel probeer ik deze vraag op 3 manieren te beantwoorden. Allereerst kunnen we kijken naar de seizoensmaxima van de afgelopen 8 jaar. Hoe heeft het maximale aantal wulpen dat tijdens 1 telling is geteld zich ontwikkeld? Uit onderstaande grafiek blijkt dat de seizoensmaxima de afgelopen 8 winters een stijgende lijn vertonen, van 193 in 95-96 tot 976 afgelopen winter.

Grafiek 1: Ontwikkeling van de seizoensmaxima voor de Wulp in de Rijnstreek

Het nadeel van alleen kijken naar de maxima is dat slechts 1 telling per jaar het beeld bepaalt. Een tweede manier is daarom te kijken naar de seizoenstotalen. Klip en klaar wordt uit onderstaande grafiek duidelijk dat zich sinds het begin van onze telling een continue stijging heeft voorgedaan van het aantal getelde wulpen. Van 193 over het seizoen 95/96 tot 2494 in het afgelopen seizoen.

Grafiek 2: Ontwikkeling seizoenstotaal voor de Wulp in de Rijnstreek

Deze seizoenstotalen kunnen gevoelig zijn voor de telinspanning: zijn in een bepaald jaar meer telgebieden geteld, dan is de kans dat er meer wulpen zijn gezien natuurlijk groter. Bij ons is dit effect beperkt: de tellers zijn dermate trouw dat vrijwel alle gebieden maandelijks geteld worden. Toch is de telinspanning in de loop der jaren iets gegroeid. Bovendien kunnen aantallen bepaald worden door grote concentraties, zodat met bovenstaande indicatoren nog geen goed inzicht is gekregen in de breedte van de verspreiding over ons werkgebied. Een derde benadering is daarom het percentage getelde gebieden waarin wulpen zijn aangetroffen. Hoe groot is de kans dat er een wulp zit in een telgebied? De ontwikkeling hier is minder eenduidig. Op een kwart tot de helft van de telformulieren worden wulpen genoteerd. De aantallen lagen in de (koude) periode 95-97 wat hoger dan in de jaren daarna. Afgelopen winter (ook relatief koud) brak met 49% echter alle records.

Grafiek 3: Percentage telgebieden waar wulpen zijn aangetroffen

 

Conclusie mag zijn dat de wulp inderdaad toeneemt in de Rijnstreek. Zowel de totale aantallen als de seizoensmaxima nemen toe. De waarneemkans schommelt, maar bereikte afgelopen winter een hoogtepunt.

Rijnstreek noord De Rijnstreek noord beslaat grofweg het gebied ten noorden van de Oude Rijn/Lagenwaard en ten zuiden van Does en Wijde Aa, tussen Leiderdorp en Woubrugge. Het telt circa 2500 hectare, voornamelijk graslanden. In dit gebied verschenen 2 nieuwe soorten op de telformulieren: een grote zilverreiger in januari in de Vlietpolder en een steppekievit (!!) in maart in de Achthovenerpolder. Voor beide dieren wasde gelukkige waarnemer. Hij verdiende dat ook wel wanttelt in zijn eentje een heel groot gebied. Voor maar liefst 10 soorten werden nieuwe topaantallen gemeld. Het betrof fuut (38), ooievaar (11), heilige ibis (21), knobbelzwaan (219), grote Canadese gans (4), toendrarietgans (2780), kolgans (6050), kuifeend (252), fazant (16) en wulp (939). De hoge ganzenaantallen die in de periode januari-februari de laatste jaren steevast in de Lagenwaard zitten, zijn nu dus eindelijk ook in de officiële telstatistieken opgenomen. Er waren ook soorten die niet eerder met zo'n laag seizoensmaximum de boeken ingingen: soepeend (maximaal 33), slobeend (3) en watersnip (8). De patrijs was ten noorden van de Rijn in mineur: voor de tweede achtereenvolgende winter werden geen vogels van deze rode lijst-soort gemeld. Aangezien er ook al tijden geen veldwaarnemingen van de soort binnenkomen kon de patrijs hier wel eens uitgestorven zijn. Voor de meeste soorten was de afgelopen winter overigens erg gemiddeld. Details van de tellingenin Noord staan ook hier.

Rijnstreek zuid De Rijnstreek zuid beslaat grofweg het areaal tussen Weipoort en Alphen, ten zuiden van de Oude Rijn en ten noorden van Hazerswoude Dorp. Het getelde gebied meet bijna 3000 hectare. Zoals bekend ligt hier de groene ruggengraat van ons werkgebied, de plasjes en bosjes aan weerszijden het Spookverlaat. Wintervogeltellers weten dat je hier niet voor de aantallen moet zijn, want die zitten in en rond de Wilck. Maar voor schaarse soorten is dit toch wel het topgebied. enmaakten hun collega-tellers jaloers met krakers als ijsvogel, krooneend, roerdomp, waterral, roodborsttapuit, brilduiker, houtsnip en matkop!!! Voor 8 soorten werden voor de Rijnstreek zuid nieuwe aantalrecords gevestigd. Het betrof naast de blauwe reiger (84 in oktober), kuifeend (227 ex in januari) en de krakeend (75 in november) een vijftal ganzensoorten. Konden we in de vorige editie van het wintertellingenverslag al melden dat de ganzen in de lift zaten, deze trend heeft zich onmiskenbaar voortgezet. De grauwe gans scoorde een record met 756 in januari, en de kolgans met 579, beide in de Oostbroekpolder. De grote Canadese gans, tot dusverre vrij schaars in onze regio, sprong van 6 naar 26. Uit de directe omgeving (o.m. Grote Westeindse Polder, 68 in januari), om maar niet te spreken van Delfland (>1000) zijn overigens veel hogere aantallen bekend. Wellicht is de bestrijding van de soort door jagers zoals deze winter gemeld van het Spookverlaat daar niet vreemd aan. De toendrarietganzen zetten een nieuw maximum op 155 (januari, Hazerswoudse Droogmakerij) en de soepgans (geteld sinds 1999) op 66. De nijlgans doet het ook goed, met maandelijks 30-40 exemplaren, maar opvallend is het vrijwel ontbreken van de soort in oktober (3). Nieuwe soorten konden er ook weer worden genoteerd in dit 8e jaar van de tellingen. Krooneend, brilduiker, kleine plevier en houtsnip waren nog niet eerder tijdens tellingen uit de Rijnstreek zuid gemeld. Goed nieuws ook over de patrijs. Werd de soort vorig seizoen node gemist, afgelopen winter 3 waarnemingen van 2 locaties (twee keer 6 ex. in de Hazerswoudse Droogmakerij en 2 in de Oostbroekpolder). De roofvogels waren relatief dun gezaaid. Havik, bruine en blauwe kiekendief en smelleken werden niet gemeld, terwijl sperwer (4), buizerd (22), slechtvalk (5) en torenvalk (17) normale seizoensmaxima lieten zien. Details van de tellingen in Zuid staan ook hier.

Rest mij nog alle trouwe tellers van het hier besproken gebied in het zonnetje te zetten: , Jan de Gelder,,,,,,,,, ,, ,en . Goed gedaan heren, en tot oktober!

Voor meer informatie over tellingen kunt u met contact opnemen.