Voor de vijfde achtereenvolgende keer wordt hieronder verslag gedaan van de wintervogeltellingen in ons werkgebied. Eerdere edities zijn te vinden in de Braakballen van juni 1999, juni 1998, juni 1997 en december 1996. Dit artikel presenteert de resultaten voor de polders boven de Rijn (Rijn­streek noord) en onder de Rijn (Rijnstreek zuid). Hier werden door 15 tel­lers 20 telgebieden geļnventariseerd. In de tabellen op de volgende bladzijden worden de resultaten van het telwerk gepresenteerd voor de groepen vogels waarvoor de wintervogeltellingen met name bedoeld zijn: watervogels, roofvogels en steltlopers.

In totaal werden er afgelopen winter in de Rijnstreek tijdens de 6 telweekenden 92 vogelsoorten waargenomen. Daaronder waren leuke soorten als grote zilverreiger, lepelaar, roerdomp, indische gans, kleine rietgans, casarca, smelleken, waterral, ransuil, grote lijster, tapuit en vuurgoudhaantje.

Het weer

Voor het eerst sinds jaren leek de oktobertelling wel een echte wintervogeltelling. In Noord-Europa was half oktober net de kou ingevallen, en tijdens het telweekend werd in Nederland de eerste nachtvorst gemeld. De tellers konden genieten van een wolkenloze hemel, maar kregen het door de harde oostenwind wel koud. Na dit telweekend werd het weer uitgesproken zacht, al was het bij de novembertelling relatief koud. December begon herfstig met een storm en erg veel regen. Tijdens het telweekend boften de zaterdagtellers met zon, terwijl de zondagtellers hun speurwerk tussen de sneeuwbuien door moesten doen. December eindigde net zo nat als hij begonnen was. De rest van de "winter" werd gelijk de warmste van de nieuwe eeuw: overdag was het vrijwel steeds tien graden. Vorst kon niet meer gemeld worden. Na de twee zachte winters van 1997-1999 bleek het nóg zachter te kunnen! De gevolgen daarvan zijn af te lezen uit de telresultaten.

Resultaten Rijnstreek noord

De Rijnstreek noord beslaat grofweg het gebied ten noorden van de Rijn en ten zuiden van Does en Wijde Aa, tussen Leiderdorp en Woubrugge (zie ook de kaart in Braakbal juni 1997). Het telt ruim 2500 hectare. De 9 telgebieden zijn iedere maand geteld, waardoor de maand-uitkomsten onderling goed te vergelijken zijn.

Kijkend naar opmerkelijke verschillen met voorgaande jaren valt alleereerst op dat voor veel soorten de aantallen overeenkwamen met hetgeen we de afgelopen vier winters gewend waren. Dit geldt bijvoorbeeld voor blauwe reiger, knobbelzwaan, smient, torenvalk, waterhoen en wilde eend.

Deze winter braken de kolganzen in de Lagenwaardse Polder alle records. De aantallen bouwden zich in februari geleidelijk op tot een maximum van 8500 exemplaren. Hiermee werd de 1%-norm (voor kolgans 6000) ruimschoots overschreden. Uit de tellingen komt de toename van het ganzenbezoek niet naar voren. Tijdens de telweekenden verbleven er tot ergernis vanenlagere aantallen dan door de weeks. Wel boften zij tot twee keer toe tijdens de tellingen kleine rietganzen aan te treffen. Buiten de tellingen waren circa 100 taigarietganzen op 9 januari een grote verrassing. Ondertussen lieten de toendrarietganzen vrijwel verstek gaan. De waarneming van 2400 exemplaren op 11 februari was een van de weinige, maar gelijk wel een mooie grote groep. Heeft deze soort ons land niet bereikt door het warme weer, of zijn ze verdrongen door de kollen?

Met de kleine zwanen was het weer muizen afgelopen winter. Een maximale score van 26 exemplaren is toch wel teleurstellend, met zoveel mals gras in Rijnstreek Noord. Wel leuk dat een kleine zwaan met halsband zich uitgerekend in de Doespolder (een van de polders waar "nooit wat zit") liet zien.

De warme winter laat zich goed aflezen aan de kieviten. Was deze soort de vorige vier winters in december en januari vrijwel afwezig, nu waren er respectievelijk 1062 en 410 te zien. Bij de buizerd trad een raar seizoenspatroon op. Over het algemeen gewone tot lage aantallen, behalve in januari toen een recordaantal van 23 exemplaren werd doorgegeven. Uit persoonlijke waarneming weet ik dat dit hoge aantal niet aan dubbeltellingen toegeschreven kan worden. Het leek wel of elk telgebied zijn eigen 2-4 buizerds had!

En andere opvallende soort is de wulp. Werden een paar winters geleden per telling nog gemiddeld 20 exemplaren doorgegeven, inmiddels is dat opgelopen tot 77 stuks. Een recordaantal van 205 exemplaren werd geteld in december, toen zich onder andere een mooie groep van 152 wulpen in de Gnephoek liet bewonderen.

Tot slot nog even aandacht voor de nijlgans. Neemt die nu toe of niet? Het blijft lastig te zeggen op grond van de afgelopen 5 winters. De 22 exemplaren in januari vormen geen record. Wel worden nijlganzen uit steeds meer telgebieden gemeld. Daarbij valt op dat het meestal om paartjes gaat. De grootste groep in Rijnstreek noord bestond uit 9 exemplaren. Bij ons dus niet het beeld van samenscholende nijlganzen, zoals dat elders in de provincie wel wordt waargenomen.

Resultaten Rijnstreek zuid

De Rijnstreek zuid beslaat grofweg het gebied tussen Weipoort en Alphen, ten zuiden van de Rijn en ten noorden van Hazerswoude Dorp. Het getelde gebied meet bijna 3000 hectare. Van de 11 telgebieden zijn er 6 iedere maand geteld. Bij twee telgebieden werd 1 telling gemist terwijl van de drie telgebieden ten oosten van de Gemeneweg slechts van twee telingen gegevens binnen kwamen. Door deze omstandigheid laten de maandtotalen zich lastiger vergelijken, en zijn vergelijkingen met eerdere jaren ook moeilijker te maken dan in de Rijnstreek noord. Daarom allereerst een opmerking over de soepeend en de soepgans. Deze bastaarden van wilde soorten met hun tamme neven worden pas sinds afgelopen seizoen geregistreerd via de wintervogeltellingen. Hieruit blijkt dat er tientallen soepeenden en -ganzen in de Rijnstreek voorkomen. De aantallen in de Rijnstreek zuid zijn daarbij duidelijk hoger dan in noord, met 38 soepganzen en 159 soepeenden als seizoensmaxima.

Zoals gebruikelijk voert De Wilck weer de hitparade aan als het gaat om aantallen vogels in de Rijnstreek zuid. Hier bevindt zich het overgrote deel van de aalscholvers (maximaal 27 in oktober), smienten (65% van alle Rijnstreekse smienten zat in de Wilck!) en meerkoeten (seizoensmaximum 475 in december). Qua ganzen is de Oostbroekpolder nog steeds de hot-spot: 230 grauwe ganzen als nieuw record, en de indische gans als nieuwe soort.

Afgaand op de telgegevens liet de kleine zwaan de Rijnstreek zuid links liggen in het jaar van de aanwijzing als speciale beschermingszone voor deze soort. Niets is echter minder waar. Er waren weer regelmatig grote groepen aanwezig, en ook de 1%-norm werd ruimschoots overschreden. Zo bevonden zich bijvoorbeeld van eind november tot half december 205 tot 265 exemplaren in de Hazerswoudse Droogmakerij en op 23 december 170 exemplaren in de Groenendijkse Polder.

In de Rijnstreek zuid zijn we ook getuige van de opkomst van de bergeend. Was deze eendensoort vroeger gebonden aan duinen en akkergebieden, de laatste tijd zie je ze ook steeds vaker in de veenweidegebieden opduiken. Tijdens de wintervogeltellingen werden ze hier voor het eerst in maart 1998 opgemerkt, en sindsdien lijkt de soort vaste gast geworden aan het einde van de winter.

Met dank aan alle tellers!

Voor meer informatie over tellingen kunt u met contact opnemen.