| Start » Leden » Buitenlandse reizen » 2012 - Noordoost Spanje - 2 mei 2012 - Dag 7 | |||||
| Over Noord-Oost Spanje | Dag 1 » Dag 2 » Dag 3 » Dag 4 » Dag 5 » Dag 6 » Dag 7 » Dag 8 » Dag 9 » Dag 10 » Dag 11 | Diapresentatie | |||||
| El Planerón en Salto de RodànOp donderdagavond waren we al gearriveerd, we hadden daardoor een extra dag. Kees had deze “leemte” geweldig ingevuld met een bezoek aan de steppen van Belchite. Deze liggen zuidelijk van de Ebro en ± 40 km ten zuidoosten van Zaragoza, waar we langs reden (dit is de hoofdstad van Aragon en in grootte de vijfde stad van Spanje met 660.000 inwoners, agglomeratie 835.000). De rijafstand heen en weer was weliswaar ongeveer 270 km , maar het was dit toch echt wel waard. Zowel de grote ornithologische waarden als de bijzondere landschappen maakten veel en grote indruk. Zo vertoonden de geërodeerde platte heuvels/bergen aan de rand van het gebied prachtige kleurschakeringen in de tinten geel, oranje, roze, beige, lichtbruin, enz. De zandwegen varieerden in kleur van bruingeel tot bijna knalwit. Deze regio bezit (deels) een gipsbodem en bevat zoutafzettingen, wat ook duidelijk merkbaar is aan de vegetatie en daardoor ook aan de presentie van meerdere vogelspecialiteiten. En passant biedt Belchite meer, maar je moet er oog voor hebben: de ruïnes waar we langs reden. Tijdens de Spaanse burgeroorlog werd het stadje in 1937 met de grond gelijk gemaakt, in 1964 vertrokken de laatste bewoners van het oude stadje naar het in de nabijheid nieuw gebouwde Belchite (waar we tankten). De ruïnes zijn nog steeds te bezichtigen en trekken voortdurend toeristen. Kees had me op de heenreis al zonder succes op het hart gedrukt: “Let dáár op Dwergarenden”. Op de terugweg lukte het dan wel: vlak voor/boven het eerste busje was het raak! Intussen waren we onderweg naar de Salto de Roldàn, een kilometer of tien noordelijk van Huesca. Deze rotsformatie bestaat uit twee enorme steenklompen van respectievelijk 1124 m (de Amman) en 1123 m (de San Miguel); kronkelend langs de afgrond bestegen we de laatstgenoemde. Boven aangekomen bleek het wandelpad buitenom langs de rand het meeste vogelaargeluk in petto te hebben: Vale Gieren zeilden beneden ons voorbij, omhoog kijkend ontdekten we een paartje Rode Rotslijsters. Een zingende Baardgrasmus verscheen en verdween telkens in de struiken, de Alpengierzwaluwen lieten zich niet zien maar er scheerden wel Rotszwaluwen druk in onze buurt. Net als elders bood ook de flora allerlei moois en waren de uitzichten weergaloos. Na een schitterende indrukwekkende dag dineerden we voor het laatst in Bolea, dat ons elke vroege ochtend een fijne “vogelkijk wake-up” bood. De soortenlijst was aangegroeid tot 170 (met ook de Orpheusgrasmus).
|
|||||