|
|
|||||||||||
| Start » Waarnemingen » Spookverlaat » Broedvogels 2010 | |||||||||||
| 1995- » 2001 » 2002 » 2003 » 2004 » 2005 » 2006 » 2007 » 2008 » 2009 » 2010 » 2011 | |||||||||||
Analyse broedseizoen 2010Het afgelopen seizoen waren het meest vermeldenswaardig:
Buiten de inventarisatierondes maar wel binnen de inventarisatieperiode:
Bij de ochtendrondes was die van 22 februari (40 soorten waargenomen in/naast/boven het onderzoeksgebied) het stilst, het meeste viel te zien / te horen op 18 mei (67 soorten). De rustigste avondronde was die van 2 maart (15 soorten), de drukste 29 april (48 soorten).
|
|||||||||||
|
|
|
| Ooievaarouder met drie hongerige koppies onder zich | Scholekster op wacht vlakbij de nestelplaats |
Starten met een recordpresentie is natuurlijk altijd leuk: de Rietzanger scoorde niet minder dan 3 “eigen erfjes”. In vergelijking met 2006 en 2008 zit de Bosrietzanger (5) gemiddelde presentie over de gehele periode van 16 seizoenen. Diens neef/nicht Kleine Karekiet kwam nu op 23 uit, wat ongeveer gemiddeld. Na een paar goede seizoenen presenteerde de Spotvogel zich met 3 zingende “heertjes” weer op gemiddeld niveau. De Rietgors vertoont als sinds 2004 (toen 8 territoria) een dalende tendens, zat in 2008 op het laagste niveau (4) ooit en bracht het in 2010 tot 6 territoria/broedgevallen, wat weer gemiddeld is over de hele periode van 16 jaar. Voor de derde achtereenvolgende en in totaal vierde keer vestigde de Blauwborst zich, deze Rode Lijstsoort tevens vogel van de Europese Vogelrichtlijn lijkt gelukkig een permanente verschijning te worden.
Bij de Fitis is de presentiecurve erg onregelmatig en opmerkelijk: van
10 (2006) via 4 (2008) naar 8 in 2009 en nu weer een dieptepunt met maar
4 zingende mannen; met een gemiddelde van 1995 t/m. 2003 van ±
12 territoria vertoont de grafiek vanaf 2003 vaak scherpe pieken en dalen
met een duidelijke tendens tot populatieafname (periode 2004 t/m. 2010
gemiddeld 7).
De Grasmus was er maar met 1 territorium (hakhoutpercelen tussen De Frankrijker
en Compier), in vergelijking met de periode 1998/2003 ligt het populatieniveau
2004/2010 structureel duidelijk lager. Aangaande de Tjiftjaf de opmerking,
dat het aantal van 16 soorteigen gebiedjes in de hele jaarreeks de tweede
plaats inneemt.
Bij de Zwartkop (b)lijkt een aantal van 18 territoria wel zo ongeveer
het gebiedsmaximum te zijn: sinds 2004 zit de soort jaarlijks rond dit
aantal. De Tuinfluiter daarentegen schoot in 2009 als een komeet omhoog
naar de recordhoogte van niet minder dan 21, en moest het in2010 met 4
minder doen (17).
Een andere bos- en struweelvogelgroep, die van de (bos)lijsters, vertoont
ook een gedifferentieerd beeld.
Bij de Roodborst leek de groei er sinds 2005 jaarlijks in te zitten: van
5 territoria in 2008 naar 8 in 2009, om vooralsnog onduidelijke redenen
kelderde de stand in 2010 naar 3 (niveau 2006). Ook de Zanglijster vertoont
min of meer dit beeld: van 5 in 2009 naar 2 een jaar later. De Merel steeg
van 17 naar 18 in dit verslagjaar, wat neerkomt op het niveau van einde
jaren ’90.
|
|
|
|
| mannetje Vink op voedseltocht | alerte Roodborst op pakafstand | Witte Kwikstaart op voedselstrooptocht |
Bij de mezen en aanverwanten constateren we een ongeveer gemiddeld broedseizoen:
de Koolmees zakte wat (-2 = - 11,1%) in vergelijking met 2009, terwijl
bij de Pinpelmees (-2 = -15,4) mogelijk de oorzaak in de lange sneeuwwinter
‘09/’10 ligt. De Matkop bleef voor het derde achtereenvolgende
jaar op 0 en lijkt na een presentie van 6 jaar met 1 tot 2 territoria
in het gebied nu dan toch weer uitgestorven. De Staartmees bezette 2 territoria,
wat gezien de voor deze soort moeilijke winter een meevaller is. Met 3
territoria zakte de Boomkruiper er eentje in vergelijking met het voorgaande
jaar, maar dit aantal mag er toch best zijn.
Zowel de Ringmus als de Spreeuw bleven marginale soorten: de laatstgenoemde
broedde in 2001 voor het laatst (1 nestkast bezet) en mag nu wel definitief
als uitgestorven worden beschouwd. Eerstgenoemde was nog steeds jaarlijks
present, maar zakte nu van 1 naar 0 bezette kasten. Met de grote landelijke
terugval in het achterhoofd is de vrees gerechtvaardigd dat deze Rode
Lijstsoort in het onderzoeksgebied nu ook op uitsterven staat.
Bekijken we de vinkenfamilie dan valt het op dat Putter, Kneu en toch
ook de Groenling marginale soorten waren en blijven: lage en onregelmatige
presentie, tijdens dit verslagjaar vestigde deze soorten respectievelijk
2, 0 en 1 territoria. Bij de Vink ligt dit anders, hoewel ook hier de
presentie wat schommelt (sinds 2005 tussen 14 en 22); in 2010 20 zingende
mannetjes, wat een vice- recordjaar blijkt (2007: 22).
Letten we speciaal op de drie in ongeveer hetzelfde habitat voorkomende
soorten Vink, Tjiftjaf en Zwartkop dan valt het meteen op dat elke soort
op ongeveer diens maximum lijkt te zitten, kennelijk kan de habitat er
(in de huidige vorm) niet meer aan en zit het gebied wat deze soorten
aangaat “vol”.
Rest nog een drietal kleine zangvogelsoorten als Witte Kwikstaart, Heggenmus
en Winterkoning.
De eerstgenoemde soort bezette in de jaarreeks zijn vijfde en zesde territorium,
de eerste twee waren van een bijna grijs verleden: 1995 en 1996, de beide
voorlaatste in 2008 en 2009, in 2010 waren er zelfs twee territoria waarvan
er in elk geval een ouderpaar met foeragerende juveniele vogels is gezien
.
Van de Heggenmus zou, afgaand op enkele forse uitdunningen van de laatste
winters, wellicht een groter aantal territoria dan 9 (topjaar was 2005
met 12) mogen worden verwacht; toch lijkt de tendens van deze soort momenteel
wel weer wat stijgend: 2010 bracht het tot 10 territoria (op een na hoogste
aantal in 16 jaren).
Bij de in het gebied meest voorkomende bosvogelsoort, “Klein Jantje”
ofwel de Winterkoning, blijkt 2007 nog steeds het topjaar (39) te zijn
geweest; in vergelijking met 2009 (30) zakte de stand naar 19 territoria
flink (niet onlogisch na een lange sneeuwrijke winter).
Tot slot de kraaiachtigen: de Gaai vertoonde de laatste jaren een relatief
forse daling, en wel van 8 in 2005 naar nog slechts 3 territoria in 2009;
mogelijk krabbelt de soort nu toch weer wat op: in 2010 werden er 7 territoria
gekarteerd. Een zelfde tendens zien we bij de Ekster, in 2005 bezette
deze nog 11 territoria en in 2009 nog maar 4; mogelijk stabiliseert dit
aantal zich min of meer met 5 territoria in dit verslagjaar. Concurrentie
van de Zwarte Kraai en predatie door de Havik lijken mogelijke voor de
hand liggende oorzaken.
Vanaf 2005 laat ook de Zwarte Kraai een terugval zien (18-14-14-13-14)
en nu weer 13. blijkbaar was 2005 met 18 een incidenteel topjaar. In feite
is er sinds 2006 sprake van een stabiele populatie nadat er in de periode
1995/2004 een geleidelijke stijging plaatsvond.
Meer ontwikkelingen door de tijd treft u in het overzicht van alle onderzoeksjaren vanaf 1995 tot heden