Lezing over Oever­zwaluwen
De Oeverzwaluw (Riparia riparia), is de kleinste zwaluw (12 cm) die in Nederland voorkomt: chocola bruin van boven, wit van onder met over de borst een bruine band. De staart is licht gevorkt. Hij maakt een droog, raspend geluid. Net als de gierzwaluw, de boerenzwaluw en de huiszwaluw overwintert de oeverzwaluw in Afrika. Ook de oeverzwaluw is een koloniebroeder. Veel van de oorspronkelijke rivier – en beekoevers waren hét terrein voor oeverzwaluwen. Door menselijk ingrijpen zijn veel van die oevers verloren gegaan.

Tegenwoordig worden door de mens gemaakte steile zand - of leemwanden, bijvoorbeeld op bouwterreinen, door de oeverzwaluwen als nestplaats gebruikt. Dit zijn vaak gevaarlijke plaatsen, de bouwbedrijven zouden de zwaluwen niet mogen verstoren als ze eenmaal met het nestelen bezig zijn, de praktijk is nogal eens anders. En wat als de oeverzwaluwen het jaar erop terugkeren? De bouwplaats totaal veranderd en geen steile wand meer te vinden. De oeverzwaluw wordt hierdoor gedwongen om steeds weer nieuwe geschikte nestplaatsen (lees steile wanden) te zoeken.

De nestgangen zijn 60 – 90 cm diep en eindigen in de nestkamer die bekleed wordt met veertjes en plantendeeltjes. Er worden 4 à 5 witte eitjes gelegd die door beide ouders worden uitgebroed. Na 12 – 16 dagen worden de jongen geboren. Naarmate ze ouder worden komen ze de ouders tegemoet in de nestpijp om om eten te bedelen. Vliegende insecten die boven rivieren, poelen en ondiepe meren vliegen vormen de hoofdmaaltijd.

Zijn broedgebied moet aan twee belangrijke voorwaarden voldoen:
1. Er moet een kale, zanderige of leemachtige steile wand zijn, waarin ze met hun pootjes hun nestholte uitgraven.
2. Er moeten veel insecten rondvliegen.

Marjos Moermans komt vertellen over dit kleine maar dappere vogeltje. Hoe kunnen we ze helpen, hoe kan je de oeverzwaluwwand het beste onderhouden, over de broedbiologie, leefwijze en bescherming van deze vogels.


Verslag 14 maart 2019
Van de vogelsoorten die zwaluwen worden genoemd is de oeverzwaluw de eerste die in het voorjaar terugkeert uit Afrika naar de broedgebieden in onze streken. Zijn wetenschappelijke naam: Riparia riparia klinkt als een lente-melodietje. De Nederlandse naam Oeverzwaluw verwijst naar zijn broedplaats, niet óp maar ín de oever. Dat is eigenlijk heel bijzonder, een vogel die in de grond broedt.
Het is dan ook niet vreemd dat de mensen heel lang hebben gedacht dat de zwaluwen na de zomer veranderden in kikkers die in de modder wegkropen gedurende de winter en daar bleven tot het voorjaar en dan weer veranderden in zwaluwen. Dat de zwaluwen die na zomer ineens verdwenen, op weg gingen om 6000 km ver te overwinteren aan de andere kant van de wereld, was volstrekt ondenkbaar. Geloofwaardiger was dat ze van gedaante veranderden want rupsen werden toch immers ook vlinders? Het zou nog honderden jaren van ontdekkingsreizen en natuurstudie duren voordat duidelijk werd, dat miljoenen trekvogels elk half jaar zulke onmetelijk verre reizen moesten maken om de winter te kunnen overleven.

Niet de kou jaagt de trekvogels naar het zuiden, want vogels zijn door hun dikke donspakjes goed beschermd tegen kou. Het is het gebrek aan voedsel waardoor ze gedwongen worden die lange reis te maken, immers zwaluwen leven uitsluitend van vliegende insecten en die zijn hier in de winter vrijwel verdwenen.

De eerste oeverzwaluwen worden bij zacht weer soms al half maart gezien en die nemen een risico. Want ze keren terug naar streken waar het insectenleven vrijwel tot stilstand kwam gedurende de winter. Vooral als het lang koud blijft, lopen die vroege oeverzwaluwen de kans dat er nog te weinig insecten in de lucht zijn en dus door voedselgebrek het niet redden. Naarmate het voorjaar vordert, het warmer wordt en er meer vliegende insecten komen, arriveren er ook steeds meer oeverzwaluwen en keren ook de andere zwaluwensoorten terug. De oeverzwaluwen zijn gemakkelijk te herkennen aan hun kleur. De andere zwaluwsoorten hebben een zwarte of zwartachtige bovenzijde maar de oeverzwaluw is donker beige/grijs, de kleur van nat zand, waardoor ze een geheel vormen met de omgeving waar ze nestelen, een volmaakte schutkleur. Hun onderzijde is wit met een beige/grijs keelbandje

Ze gaan dan vrijwel direct op zoek naar nestelmogelijkheden want dat is het doel van die lange trektocht, ze komen naar hier om te broeden. Oeverzwaluwen zoeken naar verticale wanden die ze meestal vinden in hoge rivieroevers die vrijkomen als het hoge winterwater zakt in de rivieren.

Inmiddels heeft de paarvorming al plaats gehad en gezamenlijk zoekt het broedpaar een geschikte plek om een nestgang te graven, meestal hoog in een steile wand en ze graven ook samen een broedgang uit van 70 tot 100 cm lengte.

Ze graven met hun pootjes die bij de klauwtjes voorzien zijn van borstelige veertjes, ze doen dat liggend op hun zij en het losgekomen zand werken ze met hun vleugels achterwaarts naar buiten.
In 2 a 3 dagen is zo’n broedgang gereed en dat is verrassend snel, zeker voor zo’n kleine vogel als de oeverzwaluw die maar 12 cm groot is en gemiddeld slechts 14 gram weegt. Naar achter toe loopt de broedgang een beetje omhoog (tegen inwateren?) met aan het einde de nestkamer met het nest, gemaakt van verdroogde plantenresten. Het wordt gestoffeerd met een weelderige laag gekrulde witte veren van watervogels, typisch voor oeverzwaluwnesten. Nestmateriaal is begerenswaardig en broedparen proberen het uit elkaars nesten te roven.

Het gemiddelde legsel bestaat uit 5 eieren die met tussenpozen van een dag worden gelegd, het vrouwtje begint te broeden vanaf het derde ei. Beide partners broeden om beurten, maar het vrouwtje zit langer en vaker op de eieren. De broedtijd duurt ongeveer 2 weken en de laatst gelegde eieren komen ook het laatst uit. Er is dus leeftijdsverschil tussen de jongen en de vroegst geborenen hebben meestal meer overlevingskansen want zij zijn het grootst en het behendigst bij het voedsel aannemen. Als er voldoende voedsel is, zullen de nakomertjes voldoende krijgen om ook groot te worden. Maar bij weinig insecten-aanbod in slechte zomers worden alleen de oudste jongen groot en dat is in belang van het overleven van de soort: beter drie sterke jongen dan vijf zwakke vogels.Naarmate de altijd hongerige jongen groter worden, schuiven ze steeds verder naar voren in de broedgang en na de tweede week zitten ze al vlak bij de ingang te wachten tot de ouders arriveren met voedsel.

Ze roepen daarbij naar hun ouders om voedsel en dat is het moment dat de broedvogels het afzonderlijke stemgeluid van elk jong leren herkennen. Na drie weken nesttijd doen ze hun eerst vliegpogingen om weer snel terug te keren naar de eigen broedgang. De ouders vliegen die eerste dagen nog achter hun jongen aan die ze nu te midden van die drukke kolonie herkennen aan hun stemgeluid. Om ze bij te voeren en ze te helpen om de juiste broedgang terug te vinden. Al snel leren de jonge vogels zelf insecten te vangen en worden hun vluchten langer, maar de eerste dagen keren ze nog steeds terug om te slapen in het vertrouwde nest. Na een week zoeken ze zelf voedsel verder weg van de geboortekolonie. ’s Nachts slapen grote groepen jonge oeverzwaluwen in het riet en wilgenstruweel maar ook in verlaten broedgangen. Bij het rondzwerven in grote groepen verplaatsen ze zich over afstanden van 150 tot 300 km waarbij ze waarschijnlijk hun conditie opbouwen, het landschap afzoeken naar voedselrijke gebieden en naar broedlocaties voor het volgende broedseizoen als ze geslachtsrijp zullen zijn. Wanneer hun jongen zelfstandig zijn, beginnen de broedvogels al snel aan tweede legsel of ze dat doen in hun oude broedgang is niet duidelijk, wellicht wel als zich daarin niet te veel parasieten hebben ontwikkeld.

Als de zomer op zijn einde loopt, verzamelen broedvogels en jonge oeverzwaluwen zich om in groepsverband naar Afrika te trekken. Zolang ze over Europa vliegen maken ze vrij korte dagtrips van 200 km, ‘s nachts slapen ze in struiken en riet. Maar als ze Afrika bereiken wacht hen de moordende oversteek over de Sahara. Als ze dat overleven en Niger en Senegal bereiken ten zuiden van de Sahara komen ze in de overwinteringsgebieden en het is te hopen dat daar in de regentijd voldoende regen is gevallen zodat de rivieren buiten hun oevers traden er een rijk voedselgebied is ontstaan.

Broeden doen de oeverzwaluwen niet tijdens het overwinteren in Afrika, maar in die rustperiode moeten ze daar wel voldoende op krachten komen om enkele maanden later weer opnieuw de uitputtingsslag over de Sahara te volbrengen om terug te kunnen keren om te broeden in West-Europa.

In onze streken lijkt water in de rivieren nog voldoende aanwezig, maar natuurlijke hoge oevers om broedgangen in te graven zijn er niet zo veel in Nederland en zijn vooral te vinden in Oost- en Zuid-Nederland.
Gelukkig hebben onze vogelbeschermers daar oplossingen voor bedacht.

Auteur: Marjos Mourmans


Georganiseerd door
VWG


Meer informatie bij
Public Relations: